Naar Nederland, om te studeren
“Stel je voor: een oude vrouw en de zee. En dat elke dag, de hele dag, zo lang het licht is. Ze staat daar maar, te wachten en te kijken, te kijken en te wachten. En iedereen in het dorp weet dat ze wacht op niemand en dat ze kijkt naar niks. En dat hij nooit meer komt en dat ze hem nooit meer zal zien.”
David stopte met praten en keek me aan. Hij haalde zijn schouders op, moedeloos, onmachtig. Ik kende de situatie, ik kende het verhaal – en voelde met David mee. Ik zag haar in gedachten staan, Davids moeder, met haar voeten in de branding, haar gebogen lichaam, waarin door de jaren heen schaamte had plaatsgemaakt voor schuldgevoel. Een oude vrouw, uitkijkend naar iemand die nooit meer zou komen, Thomas, haar oudste zoon, iemand die ze ooit had weggekeken en die nooit meer teruggekeken kon worden.
Toen Thomas zijn havo-diploma haalde, was hij 18. Hij wilde verder studeren aan de universiteit, maar had geen zin om weer jarenlang elke dag met de bus vanuit Westpunt naar de stad te gaan. Hij huurde een appartement dat hij met zijn bijbaantje bij de Pizza Hut makkelijk kon betalen. Het ging goed met hem, hij was gelukkig. Regelmatig zocht hij zijn moeder op, altijd alleen, tot die ene dag.
Het eerste wat ze zag waren hun handen. De rechterhand van Thomas, de linkerhand van die andere jongen. Hand in hand liepen ze vanaf de bushalte in de richting van haar huis. Uit de verte zwaaide Thomas met zijn vrije hand, hij lachte en riep.
“Hé, mami!”, hoorde ze.
Hij zei nog wat, maar dat hoorde ze niet. Dat kon ze niet horen. Of wilde ze het niet horen? Haar gehoor leek geblokkeerd. Later had ze gedacht: mijn ogen blokkeerden mijn oren. Kon dat? Kon het ene zintuig zo sterk werken dat een ander zintuig niet meer werkte? Ze wist het niet. Maar ze wist wel dat ze iets zag wat ze niet wilde zien: die twee handen, een van Thomas, een van die andere jongen, twee handen die één waren.
“Mami, dit is Jefferson”, had Thomas gezegd toen ze binnen waren. “Hij is het, ik weet het zeker.”
Ze had niet gereageerd. Hij is het, had ze gedacht. Hij is wat? Thomas had toch een vriendin?
De volgende dag gebruikte de buurman een woord dat ze alleen kende van de televisie. In sommige telenovela’s waren mannen die zo waren. Dat had ze altijd raar gevonden, maar in die series waren wel meer dingen die raar waren. Maar nu ging het over Thomas, haar oudste zoon, en Thomas was niet raar. Of wel? Ze brak het praatje met de buurman snel af, met een smoesje, en ging naar binnen. Ze dacht na: had ze hem te veel verwend, was hij zo geworden omdat hij nooit een vader had gehad, had ze hem moeten verbieden om altijd met het buurmeisje te spelen? Wat had ze fout gedaan? En: kon ze nog wel in het dorp blijven wonen? Moest ze verhuizen?
Toen ze de Chinese supermarkt verderop aan de weg binnenging, viel het gesprek tussen het kassameisjes en de twee klanten stil. Het laatste wat ze hoorde was: “Het is erg voor haar”. De dag erna gebruikte de buurman het woord opnieuw. Ze had haar schouders opgehaald en gezegd: “Ach, die jongeren van tegenwoordig, die doen maar gewoon waar ze zin in hebben. Het gaat wel over.”
Maar het ging niet over, en ze besloot Thomas een brief te schrijven, een echte brief. Een paar dagen nadat ze de brief had gepost, kwam Thomas langs. Alleen. Hij bleef maar kort. Als iemand vroeg waarom hij daarna nooit meer langskwam, zei ze: “Hij is naar Nederland, om te studeren.”
“Hij zou vandaag vijftig zijn geworden”, zei David. “Hij is gewoon de zee ingelopen, die ijskoude Noordzee, met al z’n kleren aan. Hij kon goed zwemmen, dat weet je zelf, maar toch. Zijn lichaam is nooit gevonden.”
Guillermo Llanta
