Naar La Macarena
“No”, zei de soldaat en schudde zijn hoofd.
Ik keek over zijn schouder. De weg leidde het dorp uit en slingerde in de verte een heuvel op. “No”, herhaalde hij. Hij gebaarde met z’n geweer dat we terug moesten, het dorp weer in.
Uit de wachtpost kwam een tweede soldaat. Ook hij schudde zijn hoofd.
“Peligroso,” zei hij, “Farc, guerrilla.”
“Het zal wel, ze zullen het wel weten, ze zijn van het leger”, zei Janneke. Beide soldaten droegen stevige schoenen, ze waren dus inderdaad van het leger en niet van de Farc, want daar droegen ze laarzen.
We liepen terug in de richting van het zompige grasveld dat het centrum was van La Macarena. Op het vliegveld stond het vliegtuig waarmee we enkele uren eerder waren aangekomen vanuit Villavicencio. Het dreigde weer te gaan regenen.
Die ochtend hadden we ons in alle vroegte gemeld bij een gebouw langs de toegangsweg naar het vliegveld van Villavicencio. Het gebouw was open aan de voorkant en hield het midden tussen een kantoor en een loods. Er was een balie waarachter mensen papieren invulden en in het loodsgedeelte stond een platte kar waar wat dozen op stonden. Hier werden de zaken afgehandeld voor de vlucht van Air Colombia naar La Macarena, het dorp dat de uitvalsbasis was voor een bezoek aan een van de bekendste nationale parken van Colombia. We betaalden de tickets en kregen koffie. Toen moesten we gaan zitten. Ze zouden ons wel roepen als we gingen vertrekken. Dat was vier uur later. De kar was inmiddels helemaal vol. Er gingen naar La Macarena niet alleen enkele passagiers mee, maar ook een paar fietsen, een generator, kratten met kuikens, dozen eieren, diepvrieskippen, een bloemstuk en zakken rijst.
De vlucht werd uitgevoerd met een DC-3. De gezagvoerder, een kleine, dikkige man met een drankzuchtig voorkomen, nodigde ons uit in de cockpit. We konden daar alles beter zien, zei hij, en er was plaats genoeg, als we het tenminste niet erg vonden om te staan. Hij tikte op een metalen plaatje dat tussen enkele metertjes was gemonteerd.
“1943”, zei hij.
Ik keek naar Janneke en zei:
“1943.”
“Ja,” zei ze, “oud hè?”
“No problema”, zei de gezagvoerder, en startte de eerste propellor, daarna de tweede. Hij controleerde de kleppen, keek uit het raampje en riep wat naar beneden. Langzaam reden we naar de startbaan, waar we voorzichtig begonnen aan de aanloop. Het achterwieltje kwam eerst van de grond en snel daarna vlogen we. Onder ons lagen de llanos, er waren rivieren en weilanden. Rechts lag een bergrug, hier en daar werd naar olie geboord. Anderhalf uur later landden we in La Macarena.
Het hotel was vlakbij het vliegveld. In de kleine lobby stond een roze bankstel en een televisie. Het meisje van de receptie gaf ons twee handdoeken en een sleutel. Ook had ze een foldertje over een show in het cultureel centrum. Ze deed haar duim omhoog en lachte.
“Muy bien,” zei ze, “bailar.”
Aan het begin van de avond liepen we door de modderige straten van La Macarena naar het cultureel centrum, een rond gebouw met een rieten dak. Toen we aankwamen was de show al begonnen. Er speelde iemand op een harp en een jongetje zong een lied. Zodra we zaten begon de man naast me een gesprek. Hij was de burgemeester, zei hij, en hij vond het werkelijk heel goed dat we er waren. Er zouden veel meer toeristen moeten komen, het nationale park was zeer de moeite waard, maar ja, de Farc, dat was wel een probleem. En het was waar, helaas, de guerrilla had nog veel macht in deze regio. De toeristen waren bang. Maar, zo verzekerde hij ons, in het dorp was het veilig, daar stond hij persoonlijk voor in.
Het lied was afgelopen. Later werd er gedanst.
“El joropo”, fluisterde de burgemeester in mijn oor. Als we wilden konden we meedoen.
Toen de show was afgelopen was het buiten aardedonker. In de lobby van het hotel brandde één lamp. Op de roze bank lag de gezagvoerder van de DC-3. Hij snurkte. Het meisje achter de balie wees naar de piloot en zei:
“Drunk.”
De volgende ochtend gingen we met een gids naar het nationale park. Na een boottocht en een lange wandeling door een soort struikgewas kwamen we bij een klein, snelstromend riviertje, waarin paarsrode algen groeiden. De gids zei dat we konden gaan zwemmen. Die algen waren niet gevaarlijk en we konden er gewoon doorheen lopen. De gids ging op een steen zitten en stak een sigaret op.
Na zo’n minuut of twintig waadde ik door de algen naar een lage rots en klom de kant op. De gids zat nog op dezelfde steen, maar hij werd nu omringd door vijf soldaten. Eén van hen voerde het woord, hij zwaaide druk met z’n armen en wees in mijn richting. De gids maakte kalmerende gebaren. Het leek me beter me niet met het gesprek te bemoeien.
Janneke stond druipend naast me.
“Problema, problema?”, vroeg ze.
Ik haalde mijn schouders op. De gids kwam naar ons toe. De soldaten riepen hem iets na. Hij draaide zich half om en riep terug:
“No, no, tranquilo.”
“Problema, problema?”, vroeg Janneke.
“No, no,” zei hij, “no hay problema.”
We pakten onze rugzakken en liepen achter de gids aan. De soldaten verdwenen onder de bomen. Vlak voordat we terug waren in La Macarena begon het te regenen en dat bleef het doen tot vroeg in de ochtend.
Om elf uur stopte er een taxi voor het vliegveld. De passagiers waren de twee piloten; ze stapten uit en meldden zich bij de soldaten die bij de deur naar het platform stonden. Zodra ze gepasseerd waren werden de passagiers geroepen: “Pasaporte, pasaporte.” De DC-3 stond blinkend in de hitte klaar voor de terugvlucht. We mochten ook nu weer in de cockpit. De piloten, klem in hun te kleine stoeltjes, begonnen met de voorbereidingen voor het vertrek. Vijf minuten later stegen we langzaam op. We draaiden over de rivier, terug naar Villavicencio.
We klommen het trapje af en liepen over het platform in de richting van het vliegveld. In Villavicencio leek het nog wel heter dan in La Macarena.
“Janneke,” zei ik, “weet je, die soldaten gisteren daar bij die rivier met die algen?”
“Ja?”, zei ze, “wat was daar mee?”
“Die hadden laarzen aan”, zei ik.
Guillermo Llanta
