Het debuut
Den bario di Otrobanda a nase un mucha muhé ku yama Apollonia ku ker a bira eskritor. E ta desendiente di un ansestro Angoles, pero e no tabata sa esei. Na grandi Apollonia a haña sa ku su fam ta un fam di orígen Afrikano. El a kuminsá studia historia di sklabitut na Kòrsou riba su mes. Pasobra hopi kos di sklabitut a keda skondí, lubidá of a bai pèrdí. Su debut komo eskritor no tabata fásil. El a kai den gara di un reportero ku un agènda skondí, operando riba facebook. Pa Apollonia su mala suerte e reportero a sera un dil kuné i a pone un reto p’e pa wak si en berdat e por a skirbi un bon kuenta den tempu kòrtiku.
Ze ging het niet redden. De eenzijdig opgelegde deadline van die gewiekste verslaggever ging Apollonia met geen mogelijkheid halen. Hij had haar erin geluisd, nu zat ze als een rat in de val op zijn facebookpagina. Eigenlijk had hij haar op dat sociale medium besprongen als een jakhals een boskonijn op de vlakte van Lesotho. Haar felbegeerde schrijfdebuut zou in duigen vallen, evenals haar aspiraties om het snel tot schrijver te schoppen. Tot schrijver ? Wat voor schrijver ? Van romans of thrillers, poëzie of haiku’s, of non-fiction essays ? Daar had Apollonia eigenlijk nog helemaal niet bij stilgestaan, ze schreef tot dan toe van alles en nog wat. En op dat nieuwe verslavende online platform plaatste ze voornamelijk grappige commentaren. Maar fictie bijvoorbeeld zat nog helemaal niet in haar pen.
Bij een merkwaardige foto op de wall van deze manipulerende nieuwsbrenger verzon Apollonia spontaan een leuk, kort verhaaltje. De foto toonde een uitgedroogde, bruine, leren veterschoen in de mondi op privé terrein van Oostpunt. Haar alter ego Olympia was daar gaan wandelen in een groepje en ze waren het schoeisel tegen gekomen. Olympia had een verhaaltje verzonnen over de schoeneigenaar. Hoe een voorouder van de huidige plantage-eigenaar in zijn tienerjaren die schoen was kwijtgeraakt. Weggeschopt door een treiterige neef ? Het bijzondere van dit korte verhaal was de non chronologie. Heden en verleden liepen kriskras door elkaar. Het werd al snel opgepikt door een mede facebook verslaafde-in-spé en ter attentie gebracht aan de plaatser der foto’s. Die kon de vaart in de lawine van commentaren op zijn triggerende posts nauwelijks bijhouden. Maar dit opmerkelijke vertelsel boeide hem, vooral de ongebruikelijke chronologie. Daar had hij eigenlijk moeite mee als rechttoe rechtaan verslaggever van het eerste uur en het laatste nieuws. “Schrijf je al langer ?”, overrompelde hij de nieuwbakken, nietsvermoedende Apollonia prompt per privé bericht. “Neen, maar ik wil graag schrijver worden”, antwoordde ze perplex. Dit klonk als muziek in zijn gespitste oren: Dus je houdt van schrijven? Prima, dan heb ik een voorstel voor je’’. Hij kon haar als aspirantauteur op weg helpen met zowel naamsbekendheid als boekpublicaties. In hun samenwerkingsverband zou hij haar verhalen op zijn veelgelezen, (in)fameuze wall plaatsen. Daarnaast zou hij via zijn medianetwerk ook voor publicatie in boekvorm zorgdragen. Dit alles evenwel onder zijn redacteurschap. Zijn fastball suisde zo snel voorbij dat Apollonia had ingestemd voordat ze besefte waarmee ze eigenlijk akkoord ging. Van copyrights had ze nog geen kaas gegeten.
Als eerste daad van onverbiddelijk redacteurschap haalde hij de aantrekkelijkheid uit haar schoenverhaal door het chronologisch te maken. Maar dat was nog niet alles. Even later plaatste deze uitgekookte ‘journalist’ onaangekondigd een heel andere foto. Daarbij daagde hij Apollonia publiekelijk uit binnen 3 dagen met een nieuw kort verhaal op de proppen te komen. Hij wilde weten of ze echt kon schrijven, die losse flodder over de mondischoen telde hij niet mee. Een kapotte bank op het trottoir tegenover het Plaza Hotel in Punda werd haar nieuwe schrijfuitdaging. Kapot in de zin van dusdanig ontbrekende en afgebroken spijlen dat dit straatmeubilair te ongerieflijk was voor ieders zitvlak.
Het was woensdagavond, de deadline zou zaterdagavond om 7 uur p.m. verstrijken. Apollonia kon helemaal niets zinnigs bedenken over die krakkemikkige bank, zelfs niet iets onzinnigs. Het verschafte een inspiratie van nul komma nul, een gemene streek van die nieuwsgaarder. Donderdag had ze nog geen letter op papier. Op vrijdagochtend reed ze naar Punda en parkeerde haar auto op het kleine pleintje voor de restaurants van de boogjes nabij de Plazatoren. Ze liep naar het bankwrak, bekeek het van alle kanten en ging er toch even voorzichtig op zitten. Snel liep ze verder naar de voorzijde van het gouverneurspaleis. Daar zat zoals altijd de in het wit geklede gepensioneerde vakbondsleider, die zich thans bezighield met houtsnijwerk in stammen van stadsbomen. In dit geval de wayacábomen voor het gouverneurspaleis. Hij hield Apollonia staande om haar persoonlijk uitleg te geven van zijn uitgekerfde creaties. Dat kwam neer op een college anatomie van het vrouwelijke reproductie- en geslachtsorgaan. Met name dat laatste. Zijn obsessie daarmee stak hij niet onder stoelen of banken. Over banken gesproken, Apollonia haastte zich verder. Op de hoek met de Breedestraat kreeg ze een ingeving om terug te keren en naar de Fortkerk te gaan. Van afstand onder de donkere, koele booghal van Fort Amsterdam zag ze dat de kerk gesloten was. Maar ze nam er toch de trap naar boven. Een deurportaal ging geruisloos open. In de deuropening trof ze een in het wit geklede heer, die leek op de houtsnijwerker buiten onder de bomen.
“Bon dia mi yu, bo a yega ? Nos tabata wardabo.”
“Bon dia mener, mener ta kòster di misa?”
“Ami ta un sirbidó di hopi aña.”
“Kòster ta permitimi di resa un ratu den misa kaminda mi a batisá na beibi?”
“Nos sa di bo batisamentu i ku lo bo a bin bèk un dia. Pasobra abo ta un di esnan ku ta bai duna nos un bos. Pero awóraki resamentu no ta bai yudabo. Awóraki bo tin ku bai kas na pia, krusa brùg di ponton i opservá tur loke bo ta mira na kaminda.”
“Pero mi outo ta n’e plenchi akitras, banda di Plaza Hotel.”
“No prekupábo ku bo outo. Ta nos plenchi esei. Einan niun hende no por mishi ku bo outo. Bin buska bo outo mayan. I bini bèk djadumingu mainta pa resa ora tin misa mes.”
“Awel ta bon kòster, masha danki pa kòster su konsehonan.”
“Di nada mi yu, wak bon ken bo ta konfia. No laga niun hende usabo. Bin serka nos, nos a yudabo un biaha kaba sin bo sa.”
Facebook, Zaterdag 13 Maart 2010, 18:55 uur.
De Afgedankte Bank
‘Oh my God, this bench is falling apart just like the floating bridge’ kreunde Conny Grant een Amerikaanse toeriste uit Philadelphia. ‘No honey it’s only the wooden lats that are rotting, but the iron is still okay’ stelde echtgenoot Harold haar gerust, ‘this bench can be easily fixed. The floating bridge is something else though, that’s big time deterioration’, wist Harold met de common sense van een typisch Amerikaanse handyman, die thuis zelf erop los klust. Ze waren vanaf één van de Destinations, Celebrations of een andere Nation Of The Seas zojuist naar downtown Punda via de pontonbrug overgewiebeld. Vlak voordat deze drijvende krakkemik gerestaureerd zou worden met miljoenen uit een of ander Europees fonds. De Grants logeerden dus niet in het Plaza Hotel tegenover welke de wegrottende bank op het trottoir geen functie meer vervulde. Zij verbleven maar enkele uren op het eiland tijdens hun Caribbean cruise. Die bank was door gemakzuchtige taxi-chauffeurs in plaats van gerepareerd, afgedankt en terzijde geschoven onder een dadelpalm. Gelukkig net uit het zicht van de persoon die uit de lobby van de Plaza afdaalt. Sindsdien hingen de taxistas in, uit, op of over hun vehikels. ‘Somebody left an empty bottle, probably whisky’ constateerde Conny met de scherpte van een Amerikaanse huisvrouw, die dagelijks het nieuws via CNN volgt. ‘No hon, there was rum in there, can’t you read?’ , toonde Harold geduld met zijn wederhelft sinds 35 jaar. Reden waarom ze de island cruise hadden geboekt, die de oplettende Conny tussen de commercials na een CNN breaking news item had ontdekt. Op dat moment sprong een vent vanachter de geparkeerde autos van gokverslaafde casinobezoekers, die nog niet failliet waren, dus nog over hun nooit afbetaalde karretjes beschikten. Hij hield het midden tussen een drugs- en/of alcoholverslaafde, zwerver dan wel geestelijk gestoorde. Of iets in die categorie. ‘Do you have some spare change?’, keek die kerel met name Conny Grant doordringend aan vanachter brillenglazen die staken in iets dat het meest leek op een uit de mode geraakt damesmontuur. Zijn uiterlijk was zeker onverzorgd te noemen. Bij zijn kop beginnend had hij een totaal verwilderde afro-achtige haardracht a la Don King, alleen wees bij hem de punt naar achter in plaats van naar boven. Vanuit zijn onderkaak groeide gelukkig alleen een sik, die zijn omgekeerde peervormige hoofd vooral de gelijkenis gaf met een geit of anders schaap. Een derde zou zelfs voor treffendheid met een ezel hebben gekozen. Overige beschrijving van zijn voorkomen doet er nu even niet toe aangezien Charlo Rizot, want zo heette deze figuur, het op dat moment in zijn leven een worst zou wezen wat Harold en Conny Grant van zijn uiterlijk vonden. Hij had al sinds enkele maanden geen dak boven zijn hoofd en die nacht had hij daar op die aftakelende bank doorgebracht. Hij was daarop neergeploft na het restje rum San Pablo hem aangereikt door de laatste taksista die gasten van het hotel kwam ophalen of was het afzetten, in een teug achterover te hebben geslagen. In een poging in wat voor roes of staat van verdoving dan ook te geraken. Dankzij diverse spijlloosheid van zijn slaapstek voor die nacht had de achterpunt van zijn merwaardige ‘kapsel’ intact kunnen blijven. Zijn schaamte die Charlo een jaar geleden nog kende was inmiddels teloor gegaan en deze eens zo egotripperige en ijdele ‘architect’ was inmiddels tot de bedelstand afgezakt. De neerwaardse spiraal in Charlo’s leven was begonnen omstreeks eind jaren 90 na enkele restauratieprojecten te Kortijn, een suffig Otrobanda buurtje zoals Charlo die wijk destijds in zijn onverbiddelijke arrogantie zelf bestempelde. Bij die projecten had hij grootschalig weten te frauderen dankzij, aldus Charlo zelf, nog suffere opdrachtgevers, die geen kaas hadden gegeten van monumenten, laat staan restauratie dezers. Hij kon deze sukkels echt alles op de mouw spelden. Zijn grootste slachtoffer, dat hij om en bij een ton afhandig had weten te maken in een onderonsje met de door Charlo zelf aangedragen en bevriende aannemer, was Olympia Oudewijn.
Apollonia had de deadline gehaald. Dit was éénderde van het verhaal dat Apollonia bij thuiskomst meteen was begonnen te schrijven. Zaterdagavond plaatste ze enkele minuten vóór 7 uur haar kort verhaal onder de foto van de kapotte bank. Niet lang daarna barstten de reacties los. De lezers reageerden aangenaam verrast. Dit had niemand verwacht, een nieuwe lokale schrijver was opgestaan. Tegen zulk overweldigend literair geweld kon de verslaggever niet op. Zijn enige commentaar was: “Now I have my foot in my mouth.’’ Hij had al zijn weddenschappen verloren en schakelde een maat in om Apollonia van zijn wall weg te treiteren. Ze liet er geen gras over groeien en verwijderde alles wat ze daar tot dan toe had geplaatst aan verhalen en commentaren. Echt alles !
Zondagochtend ging Apollonia terug naar de Fortkerk, waar ze plaatsnam op de lange, achterste bank. Een blanke vrouw keek haar vriendelijk aan en bracht haar het programma van de dienst. Apollonia bedankte de dame: “Wat fijn mevrouw, is de koster soms beneden? Ik zou hem graag even willen spreken om te bedanken.” De dame begon te lachen: “De koster? De koster dat ben ik.”
© Natasha Cabenda 2026
