De Nakomelingen (Hòmber No Sa Yora)
Er was niemand anders in het busje gestapt tijdens die best wel lange rit van Saliña naar Otrobanda. Apollonia was uitgestapt bij Colon. Lopend naar huis wist ze niet of ze nou echt een baby tafereeltje had meegemaakt in het busje. Niemand anders zou kunnen navertellen wat ze had gezien. Was dit nou een manifestatie van de voorouders geweest om haar op te vrolijken ? Net zoals het haar aangereikte verhaal van de mishandelde slaaf ? Ze keek voor de zekerheid in haar portemonnee. Er bleek 100 gulden extra in te zitten…
Ayera mi plant’i mannan tabata tur hinchá na blar. M’a kere ku awe lo mi no mester a sigui chapi kunuku. Bomba a ponemi chapi mas ku nunka. Un pida tereno grandi tur na yerba i mata di wabi chikitu. Tur mi blarnan di man a habri. Pero mi a sigui chapi. Sanger a kuminsá basha fei mi plant’i mannan. No tin mag di stòp te ora bèl zona. Pa malu, bomba a tarda pa bati bèl.
Ora mi a kai sinta un ratu pa sosegá mi mannan el a slùip mi tras, dunami un halá di sota ku zjuip. Habri mi lomba na herida tambe. Pa kolmo el a kita mi sandalianan fei mi pia. Mi mester a sigui chapi pia abou. Bomba di ku mi: ‘Awe sí lo bo yora manera un muhé bieu.’ Pasobra fei na mucha mi a kustumá di no yora pa doló di kurpa. Doló di alma so por ponemi yora. Awor mi plant’i pianan tambe ta tur na herida.
Mare bomba por a bati bèl aworakí pa mi bai serka mi mosa dushi pa e kuida mi heridanan. Ku e balmo ku e mes sa traha ku waks di abeha, sentebibu i yerba. E karisia suave di su mannan bendishoná pa kura herida. Mi mosa su mal di luna a keda sin bin 3 biaha. E ta bendishoná ku un barika di mi.
Ora porfin bèl a zona, solo tabata bahando kaba. Pero ainda tabatin klaridat sin mester a sende bela. Mi a kokochá bai mi kasita. Pero mi mosa no tabat’ei. Mi a bai busk’é, puntra p’e. Tur hende tabata keda ketu. Al fin e esklavo di mas grandi a sali di su kasita i a bisa: ‘Mainta Shon a hinka un par di nos hendenan den kitoki hiba Punda. Bo mosa tabata den nan.’
Mi a lastra bai bèk na mi kasita kaminda mi kurpa a dal abao. Mi no tabata ni sinti e doló di mi heridanan mas. Mi no por a saka sonido, pero awa a kuminsa basha di mi wowonan sin por a stòp.
Een kleine Miles Davis, daar leek hij op met een te grote zonnebril op zijn schriele gezicht. Hij compenseerde de pijn in zijn schouders door pijnontlastend te lopen. Dat viel niet mee tijdens de kinderkarnavalsoptocht in de hete zon. Hij had vanaf Palu Blanku in zijn eentje het bord met de groepsnaam moeten voortzeulen. Apollonia zag hem voorbijkomen, ze stond in de buurt van Colon. De optocht hield daar even halt. De toeschouwers toonden medeleven met kleine, dappere Miles, een tiener wiens botten sneller groeiden dan zijn spieren. Hij stond vergeten helemaal vooraan in z’n eentje met het groepsnaambord. Na hem kwam er een tijdje niets, toen een brassband met de prinsjes en reina van de groep, daarna de DJ en uiteindelijk de groep zelf.
Apollonia besloot hem hulp te bieden: ‘Bon tardi dushi, mi por a yudabo hala e borchi ? Mi por bai ku bo te na final, e no ta leu pa mi.’
Maar Miles had zijn trots: ‘Tante no molestia Tante. Mi por mi so.’
‘E no ta bai dushi. Dos hende mester hala un borchi grandi asinaki. E ta muchu pisá pa bo.’
Ze hielp hem het bord te trekken tot aan het radiostation aan het begin van de Breedestraat. Tot daar was genoeg voor Miles: ‘Tante no mester sigui yudami, laga bai numa, Tante.’ Vóórdat hij haar hand kon weghalen liet Apollonia los. Onder haar zonnebril vloeiden tranen. Ze wendde haar gezicht af, hij wees haar hulp met stelligheid af. Een oudere vrouw. Niet donker van kleur zoals hij. Terwijl hij pijn leed en vergeten leek te zijn daar vooraan.
Apollonia liep terug naar haar plaats bij Colon. De omstanders vroegen wat er met hem was, ze haalde haar schouders op. Iemand zei: ‘ Mas pariba den Kaya Grandi lo tin un peiki ku e gusta.’ Dat moest het zijn. Verdrietig keek ze verder naar de optocht. De meeste kinderen zagen er moe uit. Plotseling kwam er een persoonlijk relaas van een slaafgemaakte man bij haar op. Apollonia hoefde slechts naar huis te gaan en het uit te typen. Later op de avond opende ze haar laptop, het verhaal stond haar nog even goed bij: ‘Ayera mi plant’i mannan tabata tur hinchá na blar. M’a kere ku awe lo mi no mester a sigui chapi kunuku…’
Apollonia schoof de deur van het gestopte busje met opschrift Otrobanda open: ‘Bon tardi, mener ta pasa Colon?’ De chauffeur draaide zijn hoofd naar rechtsachter. Zijn gezicht met ringbaardje keek haar streng aan: ‘Ta tres sinkuenta.’
‘Di kon meneer? Niun bus chikí no ta kobra extra pa pasa Colon’.
Nog even streng: ‘Mi tin ku kita for di ruta bai te paden ta p’esei.’ Apollonia bedacht zich niet langer: ‘Awèl, ban pa bai. Ta mi kas mi ke yega.’
Het busje was leeg. Apollonia kon gaan zitten waar ze wilde, maar ze nam plaats op het tweede bankje. Toen zag ze het wonder. De rugleuning van het voorste middenzitje was naar beneden geklapt. Er lag een paar dagen oude baby. Verbazing ? Neen, eerder verwondering! Een meisje gekleed in een deftig roze babyjurkje, afgewerkt met wit kant, bijbehorende sokjes en mutsje. Ze lag op haar verzorgingskussentje met opstaande randen, die dwars precies paste op de middenzitting. Voetjes gericht naar haar vader en hoofdje naar moeder, die stil en onopvallend ook aanwezig was.
Apollonia’ s eerste neiging was de bestuurder aan te spreken op de onveilige situatie voor met name het kind. Maar een sfeer van liefde, geborgenheid en kalmte maakte dat het enige wat ze kon uitbrengen was: ‘Wow, esaki mi no a wak nunka ántes.’ De ouders bleven onverstoord. Voor hen was dit nou eenmaal zo, geen behoefte aan drama van passagiers. Ze spraken op gedempte toon, zo zacht dat Apollonia ze niet kon verstaan, ondanks dat ze voorover leunde om het kindje goed te kunnen observeren. Het wolkje sliep net zo onverstoord. Het busje verminderde vaart en begon stapvoets te rijden. Het kwam zelfs helemaal tot stilstand in een file. Vader pakte zijn dochtertje op en knuffelde haar. Toen er weer beweging kwam in de rij autos legde hij de baby terug. Moeder haalde een plastic bakje met gesneden fruit tevoorschijn. Vuurrode stukjes watermeloen. Ze legde het naast de baby en prikte het kleine, houten vorkje rechtop in één van de stukjes fruit. Maar vader pakte met zijn vingers. Moeder gebruikte het vorkje wel. Ze was gekleed in een katoenen jurk, haar gezicht was niet opgemaakt, vooral geen valse eyelashes, halflanggestraight haar in een staartje. Een magere, jonge vrouw, de rust en eenvoud zelve.
Een gezinnetje van vader, moeder en hun piepkleine dochter in een knus huiskamertje op de voorste bank van vaders busje. Ze waren uit en toch thuis, maar bovenal waren ze samen. Baby lag al die tijd rustig te slapen, maar was nu een beetje aan het kreunen. Moeder pakte haar op en legde haar aan aan haar linkerborst. Het kindje was weer muisstil. Alles verliep liefdevol en harmonieus, een baby geborgen bij haar ouders.
Het busje naderde Otrobanda. Er was tot dan toe niemand anders ingestapt, heel merkwaardig voor de drukke route en middagspits. Apollonia had de hele rit met haar armen gespreid over de rugleuningen van de voorste bank gezeten. Zo hield ze een oogje op het kind en had ze vader helpen meekijken naar het verkeer. Uit haar portemonnee haalde ze uit het vakje met papiergeld het eerste het beste briefje zonder naar de waarde te kijken. Bij het uitstappen zei ze glimlachend: ‘Danki dushi’s, no worry, sobrá ta pa e sparpòt di babygirl.’
Natasha Cabenda,2026 (Kort Verhaal #6)
